De Duitse Orde Sanctae Mariae Teutonicorum in Jerusalem.

In 1190, tijdens de derde kruistocht, werd voor Akko in Palestina door Duitse kooplieden uit de Hansa-steden een veldhospitaal opgericht, waarrond zich een broederschap ontwikkelde dat, in een geest van christelijke naastenliefde, beoogde hulpbehoevenden bij te staan.
Reeds in 1199 bekrachtigde paus Innocentius III de omvorming van deze broederschap in een ridderorde. Deze stelde zich ook de bescherming van pelgrims in het Heilige Land en de verdediging van het Geloof tot doel, hetgeen haar veel sympathie en steun bezorgde. Hierdoor was de Orde reeds in 1300 verspreid over heel Europa en bezat ze zelfs gedurende ruim tweehonderd jaar een soevereine staat aan de Baltische Zee. Haar invloed beperkte zich vanaf de 15de eeuw tot het Heilige Roomse Rijk, binnen hetwelk ze in de 16de eeuw werd geconfronteerd met de reformatie. Niettemin bleef ze een belangrijke politieke en economische macht, bemand door de Duitse adel.
Door de Franse Revolutie werd de Duitse Orde nagenoeg van de kaart geveegd. Enkel in het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk kon ze overeind blijven. Ontdaan van elke politieke macht ondernam ze in de loop van de 19de eeuw een noodzakelijk geworden terugkeer naar de spirituele bronnen: het instituut van de zusters werd nieuw leven ingeblazen, de priesters kregen een nieuwe regel en de gezondheidszorg werd opnieuw concreet ter harte genomen. Na 1918 dreigde de uiteenspatting van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk de intussen eng met het huis Habsburg verbonden Duitse Orde fataal te worden. Een in 1929 door de Heilige Stoel bekrachtigde omvorming in een geestelijke orde, waaruit het ridderelement met de tijd diende te verdwijnen, verhinderde zulks. Na het slachtoffer te zijn geweest van nazivervolgingen vatte de Orde na 1945 andermaal een periode van heropbouw aan. Via een in 1965 door Paus Paulus VI bekrachtigde herbeleving van het in oorsprong middeleeuws familiareninstituut werden opnieuw leken bij de activiteiten betrokken.
Op dit ogenblik is de Duitse Orde op pastoraal en menslievend vlak actief in Oostenrijk, Italië, Duitsland en het voormalig Joegoslavië. In deze landen bezit de Orde ziekenhuizen, bejaardentehuizen en opvangcentra voor jongeren en voor kinderen. Sinds eind 1989 kon opnieuw openlijk aangeknoopt worden met de in Tsjecho-Slowakije overgebleven zusters.

De commanderij van Alden Biesen.

In 1220 schonk graaf Arnold III van Loon, samen met zijn zus Mechtildis, abdis van Munsterbilzen, een bedevaartkapel met aanhorigheden gelegen in Rijkhoven-Bilzen aan de Duitse Orde. Op vrij korte tijd groeide deze vestiging uit tot hét centrum van de ordebezittingen in het Maas-Rijngebied: “Alden Biesen” zou als landcommanderij tot het eind van de 18de eeuw de hoofdresidentie blijven van de provincie of balije Biesen. Daarna seculariseerde het Franse revolutionaire regime de Ordebezittingen en in 1797 werd Alden Biesen verkocht.
Naar aanleiding van de restauratie van de gebouwen van de landcommanderij, einde 1970,  stemde de Grootmeester van de Duitse Orde te Wenen in, onder impuls van Gouverneur Roppe en met steun van Mgr. Heuschen, bisschop van Hasselt, om de Commanderij Alden Biesen van de Duitse Orde opnieuw op te richten.
Sinds 1978 ondersteunen Belgische familiares de activiteiten van de Duitse Orde. Naast geloofsverdieping nemen ze o.a. actief deel aan het beheer van christelijke ziekenhuizen, scholen en caritatieve instellingen, om op deze wijze de traditie van de Duitse Orde in België voort te zetten.